Pete
Hij zweefde boven de grond in de armen van een monster. Zijn wang lag op een stenen schouder. Het regende niet meer. Woeste kleuren – groen en geel, bruin en rood; puntige randen van kleur schraapten langs hem, deden pijn aan zijn oren.
De zus liep achter hem. Haar gezicht was net zo hard als het monster. Lippen te rood, ogen te blauw, ademhaling te luid.
Bij elke stap schuurde de kiezelhuid van het monster langs Petes rauwe vlees, als schuurpapier, als duizend zagen die langzaam over zachte korstjes werden gehaald.
Hij wilde schreeuwen, maar als hij schreeuwde zouden de felle kleuren nog feller worden.
Hij stond niet langer hoog op de glazen plaat. Hij was gevallen, gevallen, diep in een wereld vol lawaai en oogverblindend licht. De Duisternis was nu nog slechts een verre echo. Nu was nu, helemaal nu en hier en als naalden onder zijn huid, als messen in zijn oren. Zijn zere ogen brandden.
Hij hoestte en het voelde alsof er een kanon werd afgeschoten vanuit zijn borst, door zijn keel, zijn mond, terwijl het hem verbrandde als gloeiende lava.
Waarom was hij hier? Waarom lag hij in de armen van een monster? Wat gebeurde er met hem? Na een lange en rustige ontsnappingsperiode was hij weer gevangengenomen door de overdadige wereld vol druk gedoe en onsamenhangende beelden.
Zijn lichaam, zijn lichaam, dat was het enige wat hij kon zien of voelen, de pijn en het gebons en gehuiver waardoor hij het gevoel kreeg dat sommige delen van zijn lijf eraf zouden vallen, zijn lichaam, dat hem dwong zijn aandacht af te wenden van de zuivere glazen afgrond. Dat hem dwong elke huivering te voelen, bij elke hoestbui in elkaar te krimpen, dat hem dwong te voelen, echt te voelen hoe de ziekte zijn afweer verpletterde.